Marien Jongewaard: ‘We gebruiken de stad als een soort herinnering. Zoals Joyce dat met Dublin deed, proberen wij dat nu met Amsterdam.’

 

Marien Jongewaard volgde de opleiding Docent Dansexpressie en de Mime-opleiding van de Theaterschool in Amsterdam. Rond 1980 kwam theatergroep Nieuw West tot stand, waarin Jongewaard samenwerkte met collega-theatermaker Dik Boutkan en met schrijver Rob de Graaf. Inmiddels is Marien Jongewaard alleen verantwoordelijk voor de artistieke continuïteit van Nieuw West. De laatste jaren werkte hij samen met andere kunstenaars, zoals het duo Kas & De Wolf (‘De Jantjes’, ‘Mensch durf te leven’), filmer/performer Cyrus Frisch (‘Jezus/Liefhebber’) en tg Dood Paard (‘ROB, with a little help from my friends’). Vanaf de eerste jaren onderscheidde Nieuw West zich door het maken van tegendraadse en radicale voorstellingen met een geheel eigen signatuur.


Naast zijn werk in de producties van Nieuw West heeft Marien Jongewaard zich ook ontwikkeld als choreograaf. Samen met zijn werk- en levenspartner Truus Bronkhorst heeft hij als Bronkhorst & Jongewaard een reeks dansvoorstellingen gemaakt die met veel succes in Nederland en daarbuiten zijn uitgevoerd. Helaas is hun structurele subsidie onlangs stopgezet.


Nu maakt hij bij Nieuw West de voorstelling ‘Love’ met een nieuwe tekst van Rob de Graaf. Eind juni, in de prille beginfase vertelt Marien Jongewaard over deze voorstelling in wording.

 

Kan je iets meer over het begin idee van ‘Love’ vertellen?


Ik vind altijd dat voorstellingen gebaseerd moeten zijn op wat jezelf bent en vaak ook een beetje aan je geschiedenis moeten refereren zowel qua leven als theater. Dit is de eerste voorstelling in het nieuwe kunstenplan. Vaak gebruiken we zulke voorstellingen om te formuleren wat we totnogtoe hebben gedaan. Heel beschouwend, als een soort startpunt. Nieuw West heeft een bepaalde naam gekregen, wij gaan nu onderzoeken wat dat nou eigenlijk was en wat dat nu nog betekent.

Daarnaast refereren we ook altijd aan het gene wat we hiervoor hebben gemaakt. Meestal is het volgende dat we maken dan een beetje een tegendeel van wat we daarvoor hebben gemaakt. Als het eerste kakelbont en heftig was dan is wat er na komt altijd ogenschijnlijk rustiger. Dat zal deze voorstelling ook worden denk ik.

Het wordt een vertelling startend ergens in de tijd dat we zelf volwassen werden, daar waar je je ambitie vorm begint te geven. Dan kom je heel non-descript uit op Amsterdam in de jaren ’60 en bij mijzelf als protagonist. Daarnaast is er een ander personage met de naam Joop, die ergens ook wel staat voor Joop van den Ende. Je krijgt met deze personages de tegenstellingen: niet geslaagd - geslaagd , klein - mega. Die twee personages laten we botsen in een haat liefde verhouding.

Het probleem is dat een haat verhouding gauw geschetst is maar een liefdesverhouding niet. Je beantwoord niet zomaar de vragen: Wat is nou liefde? Wat zijn twee mensen die van elkaar houden? Het schrijven van de tekst ligt momenteel even stil omdat het moeilijk is om dat in de juiste toon te doen en omdat we er veel projecten naast doen.

 

De personages staan voor Joop van den Ende en de kleine kunstenaar; het conflict tussen de lage en de hoge kunst, een actueel conflict. Is dat ook iets wat jullie dwarszit?

Op het moment dat je zo’n grootheid gebruikt moet je je afvragen wat je daar nou mee zegt. Daar worstelen we mee. Over iemand als de Colonel van de Beatles valt van alles te zeggen, maar over Van den Ende niet, als hij dood is, is wat er van hem rest een fonds voor alles wat hulpbehoevend is. Dat is niet negatief. Daarnaast is het ook gewoon leuk om dingen te bedenken als: wat heb ik wat Joop niet heeft? Wat is Joop’s ultieme wens om uiteindelijk te hebben? Wij vertalen dat naar dat wat er ontbreekt bij Joop een soort wens naar de dood toe is, het vermoord worden. Target zijn. Hij is geen Pim Fortuyn, Andy Warhol, of John Lennon, allemaal mensen die vermoord zijn. Eigenlijk is dat nog het ultieme wat hij wenst. Die kant zie ik het stuk momenteel opgaan.

Daarnaast zal het stuk ook gaan over mannenliefde. Er is eerst een heel mooi verhaal waarin ik op zoek ben naar Joop, waar ik door de stad loop van het jaren ‘60 Amsterdam. Allemaal op het niveau van ‘Rob de Graaf kitsch’ , waar toch altijd weer een pijnlijke kant aan zit . We ontmoeten elkaar in gebouw Marcanti en op allemaal plekken die heel veel voor ons betekent hebben, - op een soms lullig niveau-, plekken waar ik kranten heb rondgebracht, schoolavonden heb doorgebracht. We gebruiken de stad als een soort herinnering. Zoals Joyce dat met Dublin deed, proberen wij dat nu met Amsterdam.

Na het winnen van een prijs zijn ze euforisch en daarin ontstaat iets van liefde. Ik hoop dat zich in die liefde iets van die karakters en de verschillen tussen hen manifesteert. Daarin willen we iets vertellen over hoe zij zich tot elkaar verhouden als mens en als kunstenaar. En de ambities en verlangens daarbinnen.

Het Vondelpark zal een soort metafoor zijn voor de zwarte doos van het theater, die in mijn begintijd van het theater heel belangrijk was. Dat betekende wat, dat was de plek waar je je fantasie ongebreideld kon uitleven: het Vondelpark als de darkroom van de stad.

 

Hoe zit het met jouw personage in het stuk?


Ik ben natuurlijk die jongen die wel een droom en idealen heeft, maar ze ook niet kan krijgen of bereiken. Ik heb altijd die wil om net anders te zijn dan anderen, het geloven in het moderne, wat je in onze tijd nog had, dat bestaat niet meer.

 

Is dat zo, heb jij die idealen nog en kan je die niet meer kwijt?


Het is eerder een soort fijne herinnering aan een tijd dat er nog iets bestond als Avant-garde. Door het successievelijke vernieuwen en telkens weer een nieuw item aan de orde stellen was dat een fijne en overzichtelijke tijd.

Ik geloof dat er in de jaren ‘60 heel veel plekken in de stad waren die een soort openbaring voor een jong iemand zijn. Misschien komt het er ook op neer dat - ik geloof dat Laurie Anderson dat ooit zei - de enige Avant-garde die er nu nog is, is iemand dood maken. Dat is momenteel de ultieme verrassing. Toen het WTC werd bestookt met die twee vliegtuigen beschouwde Stockhausen dat als een soort ultieme daad van kunst. Misschien komt de voorstelling daarbij in de buurt en zoeken we met het stuk naar een vorm om dit soort dingen te zeggen.

 

Om daarmee op zoek te gaan naar een nieuwe Avant-garde?


Misschien. Het grootste probleem is om met clichés iets echts te zeggen, je kent die burgerlijke wereld van Joop van den Ende, maar wil dat toch op een authentieke manier laten zien. Daarnaast wil ik ook laten zien hoe verbazingwekkend affectieloos die musicals van hem zijn, ik vind het zo keihard en liefdeloos theater. In die serie Allemaal Theater zie je die wonderlijke hardheid. Die man zit in die wereld als geen ander en is er toch een buitenstaander.

Ik hoop dat dat een beetje uit de voorstelling komt. Ik denk dat het verschil moet komen van iemand die er op een warmbloedige manier in staat en iemand die er op een koudbloedige manier in staat. Dat koudbloedige en warmbloedige moet in die liefde (‘Love’) duidelijk worden. Daarbinnen moet zich de clash afspelen, niet zozeer in het verhaal maar in die liefde. Iets als dit moet het worden.


Simone Hogendijk

[ << ]